Kunskapskolan: “We build people here”. (Op bezoek in het hart van het gepersonaliseerd leren.)

IMG_1354.jpg

In Zweden is een onderwijsvorm ontstaan, sinds 1999, waarbij het onderwijs gepersonaliseerd is en de leerling eigenaar van het leerproces. Deze scholen werken onder de naam van Kunskapskolan. Kunskap kun je vertalen als kennis maar ook als betekenis. Ik ben zo vrij voor die laatste vertaling te gaan en dan betekenis te zien als het betekenis geven aan je leren of zelfs je verdere leven. Omdat ik hier al jaren goede verhalen over hoor in mijn zoektocht naar onderwijs waarbij de leerling eigenaar is van ditzelfde onderwijs, werd ik erg blij met de uitnodiging mee te gaan Zweden op bezoek bij een tweetal scholen.

Wat wil het geval. De Onderwijsspecialisten (waar ik ook voor werk) en Quadraam (een grote VO-organisatie in Arnhem e.o.) hadden elkaar gevonden om te dromen over een vorm van onderwijs, van deze en de toekomstige tijd, waarbij elke leerling, in staat moet zijn deze met goed gevolg te doorlopen. Zowel leerlingen met ‘special needs’ (mijn domein) en de gewone leerling. Echt passend onderwijs dus. (Mariendaal een VSO-school van De Onderwijsspecialisten werkt al met het KED-programma sinds augustus 2015, maar dat is speciaal onderwijs). Dus wij gingen onderzoeken of Zweden ons antwoorden kon geven op onze vragen. De groep die op onderzoek ging bestond uit bestuurders, leidinggevenden en leerkrachten.Met zijn 23-en, iemand van KED-Nederland ging mee voor de begeleiding, stapten we de eerste dag van onze carnavalsvakantie in het vliegtuig naar Kopenhagen. Vervolgens stapten we over in een bus om via The Bridge naar Malmo te reizen. Helaas geen Saga te bekennen, maar gelukkig kwamen we daar ook niet voor.Ik had mij goed voorbereid, veel artikelen gelezen waarbij ik veel (objectieve) informatie heb gehaald uit het onderzoek van Cissy Pater:

http://www.kohnstamminstituut.uva.nl/pdf_documenten/NTOR%202015%20afl.%204%20Pater%20Kunskapsskolan.pdf

Mijn belangrijkste vraag was hoe dit eigenaarschap er uit zag en of dit ook voor jongere leerlingen gold. Daarnaast was ik benieuwd hoe de leerkrachten het vonden om daar te werken, hoe ze dit gepersonaliseerd leren roosterden en hoe de school fysiek ingedeeld was.L1400138.JPG

Ik was dan ook enigszins opgevonden toen we om 07.15 uur in de bus stapten op weg naar Ystad. Ja, ja de stad van Wallander, maar die zouden we ook niet tegenkomen. Om 08.15 kwamen we binnenvallen in een open ruimte, waar een grote balie met de naam Kunskapskolan ons verwelkomde. Iets wat persoonlijk gedaan werd door Eva Borgstrom, de ‘principal’ van deze school. Overigens moest zij zich na een paar woorden tot ons gericht te hebben zich direct verexcuseren. Zij had die dag de taak op zich genomen om een 10-jarige jongen te begeleiden, die voor veel gedragsproblemen had gezorgd. Zij wilde de extra zorg voor hem goed in kunnen schatten, voor zij dit ging bespreken met de gemeente waar deze leerling vandaan kwam. De leerling centraal wordt gezegd over het KED-programma en werd hier in de praktijk gebracht.Overigens nam haar vervangster het prima over, want naast dat iedereen daar uitstekend Engels spreekt, kunnen ze allemaal de visie en praktijk van hun onderwijs goed uitdragen.

L1400145.JPGL1400146.JPG 08.30 zouden de coachingssessies beginnen en werden verdeeld over diverse groepjes. Dit was voor mij, maar volgens mij ook de anderen een belangrijk moment, want dit coaching is toch wel het hart van het Kunskapskolan. Deze gesprekken vinden overal plaats in de school, alle ruimtes worden functioneel gebruikt. Voor dit gesprek is het logboek belangrijk en leuk om te zien is, dat dit gewoon een soort agenda is. Niets digitaals dus. Tijdens het gesprek wordt teruggeblikt en vooruit gekeken. Maar de leerling heeft de regie. Hij/zij heeft zelf de doelen geformuleerd voor een aantal vakken waar die week aan gewerkt wordt. Overigens gaat het tijdens het gesprek niet alleen over wat er gedaan moet worden, maar ook hoe de leerling dit wil gaan doen en wat hij/zij daar bij nodig heeft. Bij ons gesprek was de leerling voornamelijk aan het woord en de leerkracht (coach) stelde vragen en ging ook doorvragen als ze er niet een goed gevoel bij had. Deze gesprekken worden uiteraard in allerlei variaties gevoerd, afhankelijk van de zelfstandigheid van de leerling.
Coachingsvaardigheden van de leerkracht zijn dus heel belangrijk, maar gek genoeg worden deze niet extra geoefend. Dit leer je in de praktijk, door goed naar de leerling te kijken en luisteren, wordt daar als antwoord gegeven. Wel is de leerkracht vast gekoppeld aan de leerling voor de gehele schoolperiode en dat kan inmiddels 5 jaar zijn, omdat sinds augustus ze begonnen zijn met het toelaten van 10-jarigen.

Het onderwijssysteem in Zweden is ook anders ingericht dan bij ons, kinderen gaan pas vanaf hun 7e naar een soort basisschool (grundskola) en blijven daar tot de 15e. Ze kunnen daar punten bij elkaar scoren die bepalen welk niveau vervolg onderwijs je krijgt. Dit gebeurd op een breed georienteerde hogeschool (gymnasieskola) voor 3 jaar. En daarna eventueel de universiteit. Het onderwijs is er gratis, de ouders krijgen een voucher die ze in kunnen leveren bij de school van hun keuze.

Na het coachingsgesprek gaan de leerlingen naar de klas waar ze met de stamgroep bij elkaar komen voor een half uurtje. In deze periode wordt het rooster van die dag en
dan vooral de wijzigingen worden doorgenomen, bijzonderheden die iedereen moet weten besproken en een soort Jeugdjournaal gekeken. Hierna waaiert iedereen uit over de school. Sommige leerlingen gaan naar een les om kennis op te doen, anderen gaan zelfstandig aan de slag in de zogenaamde workshopruimtes. Dit zijn een soort leerpleinen, groot en klein, of aparte studiehokjes.

L1400159.JPGIMG_1343Sommige leerpleinen hebben ook een specifiek thema, bijvoorbeeld een wiskundeplein en daar kun je dan ook begeleiding krijgen voor dit vak. Ik heb gezien dat er door veel leerlingen echt werd gewerkt, veelal ook in groepjes, maar er waren ook leerlingen die een you-tube filmpje zaten bekijken. Daar worden ze niet op aangesproken, maar als blijkt tijdens het coachingsgesprek dat je te weinig hebt gedaan, wordt dit zeker besproken.

De leerlingen werken volgens een onderwijscurriculum wat opgedeeld is in trede- en themavakken. De tredevakken, zoals wiskunde, engels, zweeds en ‘social-science’ zijn concentrisch opgebouwd. Die moet je ook in een bepaalde volgorde doorlopen. Voor de themavakken is er een bepaalde keuzevrijheid, maar die beslaat niet meer dan twee jaar. Dit curriculum is in een digitaal progamma omgezet, wat de leerling heel veel handvatten geeft. Niet alleen wat ze moeten leren, ook hoe ze dit kunnen doen (leerstrategieën) en op welke manier ze beoordeeld gaan worden. Voor de scholen in Nederland die volgens dit concept werken heet dit programma ‘Stroom’ en is samen met het SLO ontwikkeld. Ik moet zeggen dit zag er erg goed uit. Het geeft veel richting aan het leren van de leerling.

Zoals eerder genoemd was ik heel benieuwd naar het eigenaarschap van de leerling bij zijn/haar onderwijsproces. En dan met name specifiek de vraag of de jongere kinderen dit al zouden kunnen. Om maar met het laatste te beginnen: met mondjesmaat. De leerlingen van een jaar of 10 moesten nog heel erg wennen aan het feit dat zij zelf veel keuzes hadden en dat er een zelfstandige houding gevraagd werd. Hier was de coach meer een begeleider, die de leerling als het ware aan de hand meenam door het programma.Maar omdat ze nu eerder beginnen, met 10 jaar, hebben de leerlingen er ook eerder profijt van. Ik zag het eigenaarschap vooral terug in de keuze die de leerling mogen maken in het niveau waarop ze een bepaald vak willen doen (levert wel minder punten op en kan de niveau van vervolgopleiding bepalen), in de tijd en plaats waar ze willen leren (nog een extra les volgen of het zelf doen, met of zonder studiemaatje) en iets onbepaalds. Iets wat wel schoolcultuur wordt genoemd. Trots op je school, samen er voor willen gaan, het ontbreken van een traditioneel verschil tussen leraar/docent en leerling.

Dat dit eigenaarschap echt een voordeel is binnen een latere studie werd nog eens benadrukt door een oud-leerling die nu even als ‘substitute-teacher’ was aangeno-men. Zij gaf aan dat zij een flinke voorsprong had op de medestudenten afkomstig uit het regulier onderwijs wat betreft het plannen en zelfstandigheid. Dat dit dan weer zorgt voor betere studieresultaten moge duidelijk zijn en wordt nog eens bevestigd door onderstaande resultaten: “Uit de Zweedse statistieken blijkt dat de Kunskapsskolan scholen grote successen boeken. De 2058 leerlingen die afgelopen voorjaar afstudeerden hadden namelijk een gemiddelde score van 253 punten, waar het landelijk gemiddelde in Zweden ligt op 225 punten.”

Volledig voldaan door alle positieve indrukken, ook nog eens door een lunch die we met de leerlingen hebben genuttigd, (alle Zweedse leerlingen krijgen tussen de middag een warme maaltijd op school), gingen we terug naar Malmo. Ik had wel een aardig beeld van het KED-programma. Op de volgende school zou ik nog wel een les willen bijwonen, iets meer willen weten over het roosteren en eens kijken of het daar net zo relaxed was als in Ystad. En dat met wel bijna 450 leerlingen in een gebouw wat niet al te groot is.

De volgende dag ‘same routine’, 07.15 in de bus op weg naar Trelleborg. Een school waar slechts 300 leerlingen op zitten. Hier was de entree nog ruimtelijker en overzichtelijker. En, ja hoor, de directeur, Magnus Dahlberg, was ook hier tijdelijk verhinderd. Hij door een zieke zoon, maar ook hier werden de taken prima overgenomen door zijn vervanger. Ook hier begonnen de coachingsgesprekken om 08.30 uur en hier waren ook 5e en 6e graders (10 en 11 jarigen) aanwezig in het gebouw. Dus ik ging bij het gesprek met een 11-jarige jongen zitten. Wat opviel was dat hij een puinhoop aan papieren in zijn rugzak had zitten, maar wel alles op een rijtje had. En zelfs in zijn vakantie, die week eerder, doorgewerkt had. Dit was een voorbeeld van een leerling die prima uit de voeten kon met eigenaarschap.

L1400163.JPGNa een rondje door de school, heb ik gevraagd of ik samen met een collega bij een wiskunde les aanwezig mocht zijn. Dat was geen bezwaar, de leerkracht gaf aan dat hij het wel in het Zweeds deed, maar dat wilden we ook wel eens meemaken. Het viel ons mee dat er echt wel een vakdidacticus voor de klas stond. Letterlijk stond, want er was ook geen stoel voor hem, noch een echt bureau. Het klaslokaal was ook klein, ongeveer 25 m2, waar toch 23 leerlingen inzaten. Overigen hebben de leerlingen geen eigen tafel, wel een eigen bakje en kluisje. Het bakje voor de papieren, de kluis voor andere persoonlijke spullen. Allen het mobiel werd ingeleverd bij de leerkracht en aan het eind van de dag weer teruggegeven. Hier waren ze dit jaar toe overgegaan, om de onderlinge communicatie in de pauzemomenten te vergroten. Maar er werd dus echt goed lesgegeven en daar waren we blij mee. Want elke leerkracht is mentor, coach en vakleerkracht (generalist) en dat kan wel eens ten koste gaan van het niveau. Hier dus niet, misschien is het feit dat elke leerkracht in het onderwijs een Universitaire opleiding heeft genoten hier ook wel debet aan.

L1400164.JPGWat ons beide dagen wel opviel was het magere onderwijsaanbod. Er was maar 1 uur gymnastiek per week, in het natuurkundelokaal konden geen echte proeven gedaan worden en of er plaats is voor een ‘verwonderingsvraag’ van een leerling is ook maar de vraag. En ondanks dat het KED-programma digitaal ondersteund wordt met een learning-portal en de leerlingen van 12 jaar en ouder een laptop krijgen van de school, is ICT geen vak. Wel gaf Magnus aan dat zij zich gaan oriënteren op het leren programmeren. Dit magere aanbod is overigens niet specifiek voor de KED-scholen, dit geld voor het hele Zweedse onderwijs. Dan is Nederland toch echt verder in het rijke onderwijsaanbod.

Maar terugkijkend op het bezoek aan de Kunskapskolan moet ik toch zeggen dat ik erg onder de indruk ben, op wat ze daar bereikt hebben. Ze hebben daar echt een leergemeenschap neergezet waar de leerling centraal staat en relatie tussen leerkracht en leerling de basis voor dit leren is. Met ook nog eens uitstekende resultaten. En die opmerking van een wiskundeleraar uit Ystad: “we build people here”, die is mij uit het hart gegrepen.

En gelukkig ben ik niet de enige die is gegrepen, want we gaan de dromen verder uitwerken en wie weet staat er straks in Arnhem (nog) een mooie school waar gepersonaliseerd leren het hart van het onderwijs is.

Ben je enthousiast geworden en wil je meer informatie over Kunskapskolan (Ned):             http://www.kunskapskolan.nl

 

 

 

De Ommezwaai op zoek naar (grote) vragen.

Wat staat daar nou in de titel zie ik velen van jullie denken. Op zoek naar vragen?? Op zoek naar antwoorden zul je bedoelen. Ja, dat natuurlijk ook wel, maar die halen we nu al vaak uit een antwoordenboek of vinden we op Wikipedia. De komende tijd gaan we juist ook op zoek naar vragen, het liefst ‘grote’ vragen. Vragen die voortkomen uit verwondering. Verwondering waarvan wij hopen dat die nog steeds aanwezig is bij onze leerlingen en bij de leerkracht. Door het jarenlang (klassikaal) lesgeven aan de hand van het lesboek, waarbij de leerlijn nauwlettend gevolgd wordt, kan het zijn dat dit diep is weg gezakt. We zullen misschien wel diep moeten graven, bij onze kinderen, maar ook bij ons zelf. Een mooie, flinke uitdaging dus.

Waarom vinden wij het zo belangrijk om samen met de leerlingen de ‘verwondering’ weer centraal te stellen. Wij denken dat de kern van het onderwijs niet alleen zit in het overdragen van kennis, wat uiteraard ook noodzakelijk is, maar dat er ook nog een andere opdracht aan ons is gegeven. Namelijk de kinderen zo goed en breed mogelijk voorbereiden op een plaats in de maatschappij. Daarbij is het kunnen lezen en rekenen onontbeerlijk. Maar minstens zo belangrijk de kennis van de wereld om ons heen, de samenleving waarin wij leven kunnen begrijpen. En hoe je daar als individu een onderdeel van uit wil/kunt maken. Dit vraagt om een kritische, onderzoekende houding, iets wat wij (de onderwijsgevenden) de leerlingen moeten leren ontwikkelen.

Gert Biesta, een belangrijke onderwijspedagoog, heeft dit kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming genoemd. Binnen Wonderwijs, ons onderwijsconcept, gaan wij uit van aardig, vaardig en waardig. Aan ons de taak om aan alle drie aspecten evenveel aandacht te schenken gedurende de schoolperiode. Wij denken dat het op zoek gaan naar de ‘grote’ vragen en deze dan samen met de leerlingen onderzoeken, een goede manier is om al deze drie aspecten aan de orde te stellen.

Wat zijn nu die zogenaamde ‘grote’ vragen. Die zijn natuurlijk heel divers, maar beginnen meestel met een ‘waarom’, ‘wanneer’ of ‘hoe’. Een mooi voorbeeld geven de leerlingen van een groep vijf/zes: Waarom is urine geel? Een mooie vraag die allerlei subvragen heeft: van wat gaat het lichaam in en wat komt er uit tot wat doet de maatschappij er mee en heeft het ook een functie. En een bezoekje aan een ziekenhuis of zuiveringsinstallatie ligt natuurlijk ook voor de hand. We laten de leerlingen het lekker zelf uitzoeken, onder begeleiding van ons uiteraard. En het antwoord, of meerdere antwoorden, die

img_1118
Hier de vragen van groep 4.

komen er wel. Eerst de goede vragen en daar zijn we hard naar op weg.

4 Maanden Wonderwijs op De Ommezwaai: een (positieve) terugblik.

Zo aan het eind van dit kalenderjaar vond ik het wel eens tijd om terug te kijken op de afgelopen 4 maanden. Maanden waar we voorzichtig het onderwijs aan het veranderen zijn. In eerdere blogs heb ik al vermeld over hoe Wonderwijs tot stand is gekomen bij ons op school, wat de achterliggende gedachtes zijn en hoe we het wilden vormgeven. Nu maar eens kijken wat dit dan heeft opgeleverd. Opgeleverd?? zie ik de lezers denken, nu al en kun je zoiets dan ook meten? Ja, ik zie al een verandering in de klas en de school.  Daarnaast denk ik ook dat Wonderwijs iets moet betekenen voor de gedragsproblemen bij ons op school. Daar kom ik verderop op terug.

Wonderwijs is ontstaan uit de behoefte een antwoord te kunnen geven op de veranderde onderwijsbehoeften van onze leerlingen. Onze leerlingen hebben veel negatieve ervaring-en op andere basisscholen achter de rug en hebben hierdoor weinig zelfvertrouwen en/of weinig vertrouwen in volwassenen. Het leren kost de meesten veel moeite, ondanks de aanwezige cognitieve vermogens. Om dan hetzelfde te doen als andere scholen, in weliswaar kleinere klassen, bleek steeds minder zinvol. Ook bij ons ‘knalden’ steeds meer leerlingen uit de klas. Uit een al eerder vermeld onderzoek van Peer van de Helm (lector Hogeschool Leiden) naar het leef/leerklimaat in de klas bleek dat onze school te maken had met een zeer hoog percentage disruptief gedrag. Hier wordt anti-sociaal gedrag (schelden, slaan, vernielen) onder verstaan. Dat er toch nog ‘geleerd’ wordt in deze onveilige situatie in de klassen is te danken aan de nabijheid van de leerkracht. Maar dit leren is uiteraard niet optimaal. Dit disruptief gedrag komt voort uit zogenaamde ‘sociale-nadeel’ situaties van de leerlingen: bang om hulp te vragen/nee te zeggen, competitie leeftijdsgenoten, omgaan autoriteit. Als een leerling bij ons een som niet begrijpt wil hij vermijden dat hij iets fout doet en heeft als oplossing het boek door de klas te gooien of het schrift te verscheuren. Als een leerling een, in onze ogen, kleine aanvaring heeft gehad met medeleerling in de taxi, kan hij dit afreageren op de leerkracht of de schoolmeubels. En zo zijn er talloze voorbeelden te noemen, daarom noemen wij dit moeilijk verstaanbaar gedrag. Dit ‘moeilijk kunnen verstaan’ is uiteraard in allerlei gradaties aanwezig. Aan ons de taak om onze leerlingen zo weinig mogelijk in deze sociale-nadeel situaties te brengen.

Daarom hebben we het roer (voorzichtig) omgegooid: ons doel is onze leerlingen aardig, vaardig en waardig aan de school te laten doorlopen en daarna aan de maatschappij af te leveren. Wat zien we hier nu van terug in de klas? In bijna elke klas zitten de leerlingen aan het begin van de dag in een kring en kunnen aangeven hoe ze er emotioneel bij zitten. Dit door een kleur te benoemen of een cijfer te geven. Dit biedt de leerkracht de kans om hier op in te gaan en ook de medeleerlingen hier bij te betrekken. Hoe eenvoudig dit ook is, de leerkrachten geven in het algemeen aan dat dit een heel belangrijk moment is voor de rest van de dag. De leerlingen voelen zich gehoord en serieus genomen, brandjes kunnen worden geblust en er kunnen afspraken worden gemaakt. Heel af en toe stellen leerlingen ook een doel voor zichzelf, dit vooral in de hogere groepen. Bovenstaande geldt ook voor het eindrondje, maar dan in mindere mate. Zeker als er meer met doelen voor de dag gewerkt gaat worden, zal dit meer inhoud krijgen. Ook het twee keer in de week uitgebreid lunchen, met bordjes en bestek, werkt heel bevorderend voor een goed groepsklimaat. De leerlingen zijn er nu aan gewend en vinden dit een fijn moment. Ze voelen zich hier niet meer ongemakkelijk bij, wat niet vanzelfsprekend is, want lang niet iedere leerling eet thuis aan tafel met het gezin.

img_0992Het bewegen tijdens en na de les krijgt vaste bodem. Steeds meer durven leerkrachten leerlingen op stoelen of rennend op het schoolplan rekenonderwijs te geven. Of wordt verkeersles buiten in de wijk gegeven. Maar de mogelijkheden zijn nog niet uitgeput. Ook ICT kan hier een mooie rol in vervullen. Zo werden laatst kerstkaarten in de school naar teamleden rond gebracht met de BlueBot. Eerst de afstand opmeten en het aantal bochtjes en img_0993dit dan programmeren. En dan uitvoeren. Deze manier van bezorgen is natuurlijk niet economisch en qua effectieve leertijd ook niet ‘inspectieproof’. Maar ik weet zeker dat de leerlingen deze ervaring meenemen in hun herinnering later en dat ze nu weten wat 50 meter is, namelijk de afstand van de start van de BlueBot tot mijn kamer.

Ik zie dit als een grote leeropbrengst.

 

Gaat alles zo naar wens, nee helaas niet. Het kost de leerkrachten veel moeite om te werken met een verwonderingsvraag. Het uitgangspunt hiervoor was de leerlingen zelf weer verantwoordelijk maken voor het leren, door aan te sluiten bij de verwondering van de kinderen. Dit gaat niet vanzelf. De leerlingen zijn dit natuurlijk niet gewend, maar ook de leerkrachten niet. En ook dat is niet zo verwonderlijk, als wij jaar en dag de methoden centraal stellen en het opbrengstgericht werken er in gestampt is, dan is loslaten heel moeilijk. Ik hoop dat het boekje “Verwondering, goede vragen leren stellen” van Dick van der Wateren, ons handvatten geeft. Daar heb ik net twee van binnen gekregen. Er zijn wel een aantal leerkrachten begonnen met de verwonderingsvraag: zo is de vraag van een leerling: wat is nu echt ADHD serieus onderzocht en zijn ze in een groep 8 bezig met uit te zoeken wat gum is en hoe dit gemaakt wordt. Maar de leerling heeft nog niet de stem gekregen die ik zo graag zou zien. Maar ik weet het: 2 stappen voorwaarts, 1 achteruit.

Aan het eind van deze blog wil ik nog even terugkomen op de relatie Wonderwijs en gedragsproblemen. Rond de herfstvakantie hebben we een derde meting gedaan naar het leef/leerklimaat in de klas. Het blijkt dat het disruptief gedrag significant is afgenomen ten opzichte van metingen van verleden jaar. We zitten zelfs onder de score van de responsgroep die bestaan uit vergelijkbare scholen. Is dit toeval? Het zou kunnen, maar het kan ook heel goed zijn dat wij met Wonderwijs een goede weg in zijn geslagen. Een weg die we blijven volgen, hoe bochtig deze ook mag worden.

Tot in 2017. Proost!

 

 

 

De Onderwijsdagen: inzicht in trends en ontwikkelingen op het gebied van onderwijs en ICT.

Als Edublogger mocht ik de woensdag gratis naar dit congres en ik ging op deze niet zo plezierige dag (want Trump etc) toch vol goede moed naar het WTC in R’dam. De titel beloofde img_0704namelijk wel wat. Nu ik in de terugreis in de trein begin met het verslag bekruipt mij toch het gevoel, dat het niet helemaal gebracht heeft wat ik had verwacht. Dat kan natuurlijk aan mijn verwachting liggen of aan het gebodene. Ik denk beide. Met de bijeenkomst in juni van Kennisnet en het NRO in het geheugen had ik gehoopt ook hier geïnspireerd te raken. Dat was mischien niet terecht.

Laat ik het programma maar een langslopen, althans, wat ik heb kunnen volgen, want er was wel veel te kiezen. Dat is een feit, maar je kunt ook maar een lezing tegelijk kiezen, dat beperkt het dan weer. De bijeenkomst werd geopend door Toine Maas, algemeen directeur Kennisnet. Hij hoopte uiteraard op een inspirerende dag en introduceerde een drietal sprekers die vanuit diverse invalshoeken de ontwikkelingen zouden belichten.

Allereerst kreeg Fridse Mobach, bestuurder van Stichting Carmelcollege, het woord. Zijn betoog ging over de noodzaak om meer zich te krijgen op het leerproces van de leerling, met een mooi word ‘assistent for learning’. Althans ik dacht dat het daar over zou gaan. Ik vond dat het snel versmalde naar leermiddelen en dat we deze toch vooral door uitgeverijen moeten laten ontwikkelen. Althans dit was het dringende verzoek van de leerkrachten die daar werken. Zo zijn zij op een licentie-foliomodel uitgekomen, waarbij er een vast bedrag aan de uitgeverij betaald wordt, die dan op zijn beurt content (op maat) ontwikkeld. Deze content kan bestaan uit boek of ICT. Op zich lijkt mij dit een prima model, want uitgeverijen kunnen prima als medespeler fungeren,maar of hier nu de personalisering van het onderwijs door gerealiseerd wordt???????

Ironisch, of misschien juist niet, was de volgende spreker iemand van een uitgeverij: Eric Hazenbosch van Thieme Meulenhoff. Ook hij maakte duidelijk dat er een urgentie is om het onderwijs te veranderen en verbeteren. Hij gaf een kijkje in zijn ‘keuken’ en gaf aan dat uitgeverijen veel  geld uitgeven wat niet direct tot inkomsten heeft geleid. Dit zien ze als leergeld, ‘lessons learned’. Dit lesgeld was besteed aan onderstaande leermomenten:

  1. Innovatie vindt niet plaats aan tekentafel.
  2. Methodeherziening over 2 jaar moet met oog op innovatie cyclischer . Eerder het werkveld in.
  3. Je kunt deze vernieuwing niet zonder onderwijs kunnen doen, dit moet echt samen (co-creatie, agile-ontwikkeling)
  4. Kwestie van lange adem
  5. Vraagt lef en ondernemerschap

Eric deed een oproep aan het onderwijsveld om ook op zoek te gaan na
ar het verandervermogen. De wil is er namelijk wel. Op een kritische vraag van Toine of uitgeverijen niet de ‘lead’ kunnen nemen, zei Eric:”we laten onze oren niet hangen naar wat er gebeurd, we blijven ontwikkelen waarvan wij denken dat het goed is, maar we gaan dit wel vroegtijdig testen en toetsen aan de praktijk. Want er moet toch wel een schoorsteen rokende worden gehouden.”

Iris Vis van de RUG begon als opmaat van haar verhaal met een leuk simulatiefilmpje over “vandaag thuis bezorgt”. Er bleken meerdere keuzes mogelijk, waarbij ook al met drones wordt geëxperimenteerd, of mensen uit een zelfde buurt een pakje bij een winkel voor jou laten meenemen. Leuk dacht ik, maar nu de link met onderwijs? Die werd al snel duidelijk. Zij zijn een onderzoek op een school begonnen om te kijken of je vanuit een logistiek denkkader, het Lean Management,onderwijsimg_0722 op maat kunt verwezen-lijken. Lean probeert de verspilling van energie, tijd, geld op te sporen en om te buigen. Zonder hier het fijne van te weten kan ik me wel voorstellen dat we daar als onderwijs aan kunnen hebben. Helaas wilde ze hier niet dieper op het onderzoek ingaan, dat zou tijdens een aantal workshops gebeuren.  Leuk dat later op de dag we met een casus over verspilling aan de slag mochten. Maar daarover later meer.

Na een korte pauze uiteraard de workshop ‘de logistiek achter onderwijs op maat’ bezocht, want daar was Iris Vis aanwezig. Alleen dekte de titel niet helemaal de lading. Het ging daar meer over het gepersonaliseerd leren bij de ‘Zo leer ik scholen’ (inmiddels 18 in Nederland). Dit zijn scholen die volgens het Kunskapskolan-ideeëngoed werken. Aangezien een school van ons bestuur hier ook toebehoord, was dit verhaal bij mij al bekend. Aan het eind ging Wim Kokx nog wel even in op het lean-onderzoek en de voorlopige conclusies:

img_0734

 

 

 

 

 

 

 

 

Tijdens de lunch heb ik wat rondgesnuffeld op het Netwerkplein. Hier bekroop
mij het gevoel iets dergelijkimg_0724s al zo vaak meegemaakt te hebben, daar haal ik mijn inspiratie niet meer uit. Wel was de experimen-teerklas leuk om rond te lopen. Dan zie je dat er echt wel veel materiaal ontwikkeld is, ICT-georienteerd of vanuit de ‘makerswereld’, waar je de motivatie van de leerlingen voor het leren, een enorme boost kunt geven

Bij binnenkomst van de workshop ‘visualisatie van onderwijs op maat’ werd duidelijk dat wij aan het werk gezet zouden worden. Er lagen overal vellen papier en stiften. Ik was benieuwd. Jan Riezebos gaf een korte uitleg van een tool vanuit het lean-denken, de Value Stream Map. Aan de hand van de casus, een bekend voorbeeld van een leerling die voor de zoveelste keer een toets moet overmaken, moesten wij deze Map invullen en kijken waar de verspilling optrad.

img_0740Leuk om samen met anderen er op deze manier naar te kijken, maar helemaal effectief was het voor ons niet. Wij bleven te lang hangen in het indelen van de verschillende variabelen in het schema, daardoor kwamen wij niet uit bij de verspilling. Die je eigenlijk wel zo uit de casus kon halen. Uit gezamenlijke uitkomst van de diverse groepjes bleek ook dat iedereen een ander proces heeft beschreven. Met de slotconclusie van Jan Riezebos werd ik wel weer blij, want ook hier gaat het om het gesprek met elkaar, om het gezamenlijk proces. En uit al deze verschillende antwoorden komt toch weer een mooie analyse en oplossing voor het probleem. En dat is waar. Het proberen waard voor een school.

De laatste workshop ging over de ‘toegevoegde waarde van learning analytics in het po’. Hier moest ik naar toe, alleen al om het feit dat het hier om het p.o. ging. Dat kon ik te weinig terugvinden in de andere workshops. Daarnaast leek me de beschrijving interessant, weliswaar was het hier gericht op Snappet, wij werken met Muiswerk, maar het verschil in ‘tool’ lijkt mij niet leidend. Wat ook nog een reden was voor mijn aanwezigheid was het feit dat deze stichting een versnellingsvraag had ingediend over de Learning Analytics, die voor het hele onderwijs geldt. Hoe kunnen we met L.A. interveniëren in het leerproces, zodat de leerwinst kan worden vergroot. Deze stichting heeft al een speler gevonden die hier mee aan de slag is gegaan: Leeruniek. Een groepje ambitieuze jonge mensen met het innovatieve hart op de juiste plaats.

Laat ik nou ook net op het laatst van de dag met Jelte de Jongh, oprichter hiervan, een leuk gesprek hebben kunnen voeren over mogelijkheden voor ons bestuur, dat maakte de dag toch nog tot een succes. Want al met al vond ik het geheel toch wat tegenvallen. En ik weet zeker dat er een aantal zeer inspirerende workshops waren, bijvoorbeeld over Mediawijsheid, Computational Thinking, Augmented Reality, etc, maar die heb ik niet bezocht.

Morgen weer de school in, met een aantal nieuwe ideeën en wat nieuwe contacten. Tot een volgende blog of bijeenkomst.

Vier weken Wonderwijs op De Ommezwaai.

Wonderwijs is de mooie titel die we hebben gegeven aan ons nieuw onderwijsconcept: aardig, vaardig, waardig met verwondering. In mijn eerdere blog heb ik hier al over geschreven, maar toen waren we er nog niet mee gestart. Nu hebben we de eerste vier weken er mee gewerkt en ik heb veel mooie dingen gezien. Die wil ik graag met mijn volgers delen. Vooral ook omdat ik wel een beetje moe wordt van de theoretische discussie over hoe ons onderwijs er uit zou moeten zien. De voor- en tegenstanders lijken zich wel klem te zetten in de theoretische loopgraven. Ik wil daar graag wat praktijk tegenover (of misschien naast) zetten.

We hebben een aantal nieuwe activiteiten ingevoerd, het bewegen moet meer onderdeel worden van het aanbod en de verwonderingsvraag zou de leerlingen een stem moeten geven.

Allereerst geven de startrondjes veel input aan de leerkracht (en soms ook leerling) waar zij/hij bij de (mede)leerlingen rekening moet houden. Ook zorgt dit voor groepsbinding, ze horen van elkaar hoe ze er bij zitten, wat er speelt in de thuissituatie en soms zie je leerlingen die elkaar dan willen helpen. Schoorvoetend wordt er ook gepraat over het doel van de dag, maar dat gaat komen dan ben ik van overtuigd. Ook het gezamenlijk lunchen gaat natuurlijk niet vanzelf. Dat zijn veel van onze leerlingen  niet eens van thuis gewend, dus daar moet je niet raar van opkijken. Maar je ziet na een aantal keren al wel dat het normaler gevonden wordt en dat er leuke gesprekken aan tafel gevoerd worden.

Tijdens diverse lessen wordt er bewogen. Rekenen leent zich daar natuurlijk heel goed voor. Dus het oefenen van tafels op het schoolplein, waarbij er een competitie-element ingebracht wordt: “wie er het eerste is” lag wel voor de hand. Mits je een leerkracht hebt die buiten de kaders denkt. Gelukkig hebben we die. Ook een mooi voorbeeld was een leerkracht die voor verkeersles met zij groep 7 de wijk in ging en de verschillende verkeersborden op ging zoeken , of de veiligheid van onze fietsen ging beoordelen. Hier gaat het wat mij betreft om: zoek de verbinding tussen het lesboek en de praktijk buiten.

Ook het werken met een verwonderingsvraag bracht een grote glimlach op mijn lippen. Het eerste thema hebben we voor de veiligheid van leerkrachten dicht bij huis gekozen: dit ben ik, dit is de klas. Maar toen er aan leerlingen van groep 6 gevraagd werd naar de verwondering kwam iemand met de vraag: “wat is nu echt ADHD, want dat heb ik”? Mooier kun je het volgens mij niet krijgen. Alleen dit al geeft voor mij het succes van Wonderwijs weer, want ik weet zeker dat als de leerling hier niet de stem had gekregen, deze vraag ook nooit gesteld zou worden. En dan nu natuurlijk het antwoord nog. Daar zijn ze nog mee bezig, want dat wordt natuurlijk niet alleen even (eenvoudig) opgezocht op internet. Nee dat gaat dieper.

Een laatste voorbeeld (voorlopig) is onze deelname aan de actie voor Steptember. Geld inzamelen voor mensen met cerebrale parese door 10.000 stappen te zetten in de maand september. Een flink aantal collega’s, waaronder ook ikzelf, hebben daar aan meegedaan. Maar we hebben ook meteen gedacht hoe kunnen we de leerlingen en ouders daar bij betrekken. Dit natuurlijk vanuit de peiler waardig. We hebben gekozen voor een sponsorloop en de leerlingen in de actiestand gezet. Natuurlijk is er de nodige aandacht voor geweest in de klassen. En het hoogtepunt was de aanwezigheid van een jonge vrouw met cerebrale parese, die in een rolstoel de leerlingen kwam vertellen wat het betekent om deze ziekte/aandoening te hebben. Niet alleen waren onze leerlingen, die over het algemeen de straattaal aardig beheersen, heel waardig in het omgaan met haar, ook hadden ze hele zinvolle vragen bedacht. En de opmerking die zij maakte dat je zelfs met een handicap (wat dus ook onze leerlingen hebben, maar dan een onzichtbare) nog ver kon komen, maar dan soms in kleinere stapjes, kwam goed binnen bij onze kinderen. Weer een  goed voorbeeld van onderwijs wat meer aansluit bij de onderwijsbehoeften van onze leerlingen. En het rennen van meerdere rondjes op het sportveld hoort daar natuurlijk bij. Dat we met deze actie al bijna 2000 € hebben opgehaald is een mooi toetje van deze verbinding tussen Steptember en Wonderwijs.

Ik hoop dat ik met deze voorbeelden aan heb kunnen tonen dat het soms niet alleen bij ‘praten over’ moet blijven, maar dat je vaak gewoon iets moet beginnen. En uiteraard dit goed moet volgen en bijsturen waar nodig. En misschien nog belangrijker: denken in mogelijkheden en verbinding proberen te zoeken.

Wordt uiteraard vervolgd.

Hieronder de link naar een kort filmpje (6 minuten) van Wonderwijs bij ons op school.

Wonderwijs in de praktijk

De verwondering (terug) op De Ommezwaai.

In een eerdere blog een aantal maanden geleden heb ik gesproken over een koerswijziging met betrekking tot ons onderwijsconcept bij ons op school. Ik heb het toen gehad over de drie doelen van onderwijs volgens Gert Biesta: kwalificatie, socialisatie en persoons-vorming. In de periode vanaf de meivakantie zijn we hier mee aan de slag gegaan in een aantal ‘designthink’-sessies en hebben de ideeën naar een aantal praktische voorstellen omgezet. Nu er ook een eind aan onze zomervakantie komt, volgende week weer een aantal dagen voorbereiden, leek het mij wel een goed moment dit met mijn volgers en andere belangstellenden te delen.

Vaardig, waardig en aardig hebben wij de drie-eenheid genoemd. Aan alle drie doelen gaan we (evenredig) aandacht aan schenken, althans  we zullen deze ‘ankers’ steeds mee laten wegen in ons onderwijsaanbod. Dit gaan we o.a. doen door elke ochtend te beginnen met een ochtendrondje, dit doen we overigens al jaren met het team, waarin iedere leerling kan aangeven hoe zij/hij er bij zit, wat er speelt en wat persoonlijke doelen voor die dag zijn. In de middag hebben we dan weer een rondje, waarin teruggekeken kan worden op de dag, feedback gegeven kan worden op zaken die goed of minder goed verliepen en afspraken voor de volgende dag kunnen worden gemaakt. Daarnaast gaan we twee keer in de week aandacht besteden aan het gezamenlijk lunchen. Afgelopen jaren wordt het eten door de leerling vanuit de lunchbox naar binnen gepropt terwijl zij een film bekijken. Dat kan en moet anders vinden wij. Het samen lunchen (eten) kan een belangrijk moment zijn, iets wat ongetwijfeld bij een flink aantal leerlingen thuis, niet eens zo vanzelfsprekend is. Er komen veel competenties om de hoek kijken bij het samenlunchen. Denk alleen al aan de volgende: de tafel moet worden gedekt en afgeruimd (samenwerken, organiseren); er wordt met elkaar gepraat tijdens de lunch (sociale vaardig zijn), e.d.. Dit samenlunchen kan nog flink uitgebreid worden, de ouders betrokken, etc. We verwachten er veel van, al zal het niet vanzelf gaan, want als iets onbekend is dan is het ook vaak onbemind.

Daarnaast willen we veel meer bewegen tijdens en na de lessen. Hiervoor gaan we werken met energizers van de week, coöperatieve werkvormen, e.d. Niet alleen denken we dat het goed is om inspanning en ontspanning af te wisselen, zeker bij onze doelgroep, ook zullen lessen hierdoor interessanter worden en de motivatie van de leerlingen vergroot worden. Daarnaast is onomstotelijk bewezen dat bewegen en leren een goede combinatie is.

Maar de grootste vernieuwing en verandering is dat we  we de nieuwsgierigheid van de leerlingen weer terug willen en de leerlingen in de regiestand willen hebben. Dit gaan we doen door te werken met een ‘verwonderingsvraag’. Hier gaan we een aantal momenten in de week en een aantal weken achter elkaar aandacht aan besteden. Deze ‘verwonderings-vraag’ komt uit de leerlingen zelf. In de klas kunnen alle leerlingen een vraag noemen en na een verhelderingsronde, zal er een vraag gekozen worden (of soms twee gecombi-neerd). De ‘verwonderingsvraag’ zal dan verder uitgesplitst worden in de diverse zaken die er mee te maken hebben en die zouden dan verdeeld kunnen worden over de leerlingen. Dit zal veelal in duo’s gebeuren (coöperatief leren). Dit verbreden kan natuurlijk met woordweb’s en mindmaps en vraagt mederegie van de leerkracht. Als de opdracht voor iedereen helder is kan er ‘onderzocht’ worden. Na een zes/zevental weken kan de uitkomst gepresenteerd worden aan de eigen klas, school, ouders.IMG_0019

Ik noem hierboven nieuwsgierigheid prikkelen, we denken namelijk net als vele anderen dat ieder kind van zichzelf nieuwsgierig is. Alleen niet naar alles wat wij onderwijzen en al helemaal niet op de manier waarop we dat doen. Uiteraard moeten sommige zaken gewoon geleerd en gedaan worden, maar je mag (of moet) ook ruimte geven binnen je onderwijstijd om leerlingen zelf op onderzoek uit te laten gaan. Hierbij komen dan ook, tot dan toe, onzichtbare talenten boven. Deze talenten, of competenties, moeten we zeker ook vastleggen, want dit zijn de vaardigheden die vallen binnen: vaardig, waardig en aardig. En deze zijn evenveel, of misschien nog wel meer waard, dan de resultaten bij de CITO-toetsen.

Zoals uit bovenstaande blijkt slaan we komend jaar een nieuwe weg in met ons onderwijs. De leerkracht is niet meer diegene die in al zijn/haar wijsheid met het lesboek in de hand de kennis over de leerlingen uitstrooit. We gaan een onzekerder toekomst tegemoet. We zullen als onderwijzend personeel voor nieuwe vragen komen te staan en zullen dan ook veel met elkaar moeten delen om antwoorden te zoeken. Daarnaast zullen we de leerlingen mee moeten nemen in dit proces en niet bang zijn dat we ook niet overal een antwoord op weten. Dat zal uiteindelijk ook de kracht van het onderwijs blijven, vandaar dat de titel van het boek van Gert Biesta ook zo toepasselijk is op onze nieuwe uitdaging: “Het prachtige risico van onderwijs”. We gaan er van genieten.

 

 

 

ICT een goed middel in onderwijs,maar vergeet niet het trainen van je brein!

Wil je succes hebben: zorg voor voldoende slaap, beweeg veel en dagelijks, zorg voor aandachtstraining en kom uit je comfortzone. Met deze (wijze) woorden besloot Margriet Sitskoorn, hoogleraar Klinische Neuropsychologie, de Onderzoeksconferentie 2016 van het NRO en Kennisnet. (En ik geloof dat het begrip ICT nauwelijks genoemd is in haar keynote.) Ik kom hier later uitgebreid op terug.

Ik was namens Kennisnet, via Willem Karsenberg (nog bedankt) uitgenodigd om aanwezig te zijn op deze bijeenkomst (was ik sowieso al van plan) en mocht hier over bloggen. Vandaar dat het dit keer niet over ICT-ontwikkelingen op De Ommezwaai gaat, alhoewel ik  nog wel een verbinding weet te maken. Ik zal de hoogtepunten van deze dag hier noemen, waarbij voor mij niet de volledigheid het belangrijkste is, maar met name zaken die het overdenken waard zijn of verbindingen met al lopende praktijkvoorbeelden.

De ochtend werd geopend door Toine Maas, namens Kennisnet, met de (niet letterlijke) woorden: “Er zitten hier ruim 700 mensen hongerig te zijn naar kennis! Want inzet ICT is geen optie meer, maar een vanzelfsprekendheid. De brug tussen onderzoek en de praktijk in de klas is aanwezig, maar daar moet zeker nog verder aan worden gebouwd. En deze dag kan hier weer voor als voorbeeld dienen.”

Ton de Jong mocht daarna gelijk aantreden om zijn verhaal over het Go-Lab Project. In dit internationaal project wordt software ontwikkeld waarmee leerlingen online natuurwetenschappelijke experimenten kunnen doen. Hij vermeldde dat actief leren de prestatie met ongeveer 6% verhoogd, dit in vergelijking met het leren volgens de directe instructie methode. Deze Go-Labs worden momenteel voornamelijk ingezet in het VO, maar er liggen zeker mogelijkheden voor het PO. Zeker gezien alle ‘realtime’ mogelijkheden en uitdagende leeromgevingen een hoopvolle ontwikkeling voor de toekomst. Voor meer info: http://www.golabz.eu.

Hierna kwamen er vijf korte pitches van 5 minuten waarin onderzoek m.b.t. digitaal leermateriaal centraal stond.                                                                                                                      1) Antoine van den Beemt beet de spits af met zijn onderzoek naar ICT inzet in de klas door ruim 150 scripties van leraren in opleiding te analyseren. Waren de uitkomsten nieuw of opvallend, nauwelijks. Het blijkt dat ICT nog steeds als een verfraaiing van de les wordt ingezet en dat de leerkracht diegene is die instructie geeft en de leerling de ontvanger. En ook bleek dat nog te weinig scholen een visie ontwikkeld hebben over ICT en onderwijs. Iets wat aan de basis zou moeten liggen. Nog voldoende werk te doen voor ons allen lijkt mij. 2) Vervolgens mocht Adrie Visscher zijn bevindingen omtrent de effecten van de inzet van Snappet op de leerresultaten, met ons delen. Het bleek dat er  weinig significante verschillen te zien waren bij Spelling, wel meer bij Rekenen. Daarnaast bleek dat ook de motivatie voor beide vakken niet werd vergroot door Snappet. Vind ik ook niet zo verwonderlijk, want de leerling krijgt ook hierbij weinig zeggenschap over eigen leerproces. 3+4) Rachel v.d. Plak en Inge Merckelbach werden door dagvoorzitter Frans Schouwenburg als een duo aangekondigd en dat was begrijpelijk. Zij beiden deden onderzoek naar kleuters en kwamen tot de conclusie dat zowel digitale praatplaten als digitale leesboeken van meerwaarde zijn bij het leren van kleuters. Vooral bij leerlingen met aandachtsproblematiek of met stressgevoeligheid. De leerkrachten zagen overigens deze meerwaarde niet direct, maar dat is onterecht, aldus de onderzoeksters. Hyperfocus en verbale responsiviteit waren twee belangrijke begrippen die hier een rol in spelen. Hierbij moest ik ook gelijk denken aan ons eigen project met onze kleuters, met ADHD en regelmatige stressgevoeligheid, waarbij de inzet van de Osmo zorgt voor vergroten van taakgerichtheid. Lees ook in het boek Sociale Media in het Speciaal Onderwijs 5) De laatste vijf minuten van deze ronde waren voor Marjoke Bakker over de inzet van oefensoftware van Veilig Leren Lezen. Zij zaten nog midden in het onderzoek, dus echte resultaten waren er nog niet. Wel kon voorzichtig geconcludeerd worden dat er een meerwaarde lijkt te zijn. Niet extra als er ook thuis geoefend wordt. Voor meer informatie:  www.veiliglerenlezen.nl/effectiviteitleerlingsoftware.

Terugblikkend met een kop koffie bekroop mij het gevoel dat ik nog niet heel veel nieuws had gehoord en dat een aantal keren de woorden lijkt, waarschijnlijk, nog niet te zeggen waren geopperd. Maar we zouden de pitches rond de leerling en leraar nog krijgen.

Na een intermezzo over de kennisrotonde, een naar mijn mening goed initiatief, mocht Liesbeth Kester ons 20 minuten informeren over ‘ Gepersonaliseerd leren met ict’. Zij begon met een krantenartikel van 27 mei j.l. waarin de Oeso aangeeft dat het Nederlands onderwijs zich voornamelijk richt op de gemiddelde leerling. Maar zoals Liesbeth ons voorhield: “one size fits all” is niet waar. Helaas blijkt het vele onderzoek naar onderwijs op maat nog te weinig resultaat op te leveren. Daarom gaat ze nu vanuit een ‘Doorbraakonderzoek’ bij minimaal 25 scholen onderzoek doen met als vraag: “Hoe kun je leerlingen helpen bij het zelfsturen van hun leerproces”. Want dat dit de toekomst van ons onderwijs moet zijn, is voor haar duidelijk. Zij had al vast ook een aantal tips voor ons: 1: Leerling en leraar samen aan het stuur                                                                                                   2. Geef feedback en advies gericht op het leerproces                                                                           3. Geef feedback en advies in de vorm van hints en vragen                                                                     Ik werd blij van haar verhaal, met name haar insteek om bij gepersonaliseerd leren de leerling en leerkracht samen de verantwoordelijkheid te geven voor het leerproces. Dit past ook helemaal bij het uitgangspunt wat wij als Onderwijsspecialisten hanteren bij het vormgeven van ons onderwijs. Daarom denk ik dat het onderzoek wat Liesbeth gaat doen erg belangrijk is voor velen van ons. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Hierna zes korte pitches. 1) Carla Haelermans heeft onderzoek gedaan naar de inzet van Muiswerk. En het resultaat: “Muiswerk werkt, maar er moet wel geoefend worden.  En dat op je eigen niveau.  2) Marthe Straatemeier heeft onderzoek gedaan bij Rekentuin, ook hier kwam weer naar  voren dat oefenen noodzakelijk is om resultaat te zien. Net als bij de vorige spreekster. Zowel Rekentuin als Muiswerk zijn adaptieve programma’s die veel mogelijkheden bieden voor het onderwijs op maat. Meer onderzoek naar effecten zijn zeer welkom. 3) Jorick Beckers was op herhaling, was er vorig jaar ook bij. Hij kwam door onderzoek er achter dat het werken met elektronische ontwikkelportfolio’s niet direct tot een beter leerresultaat leidt. Het vraagt om een nauwkeurige afstemming m.b.t. de begeleiding van de student. 4) Nico Rutten vertelde ons iets over het onderzoek naar lesgeven met simulaties. Wat ik hier uit meeneem is dat een mengvorm van Virtual Reality  en werkelijkheid het meest effectief is. 5) De opbrengsten van een studie naar inzet Studyflow werden door Eliane Smits van Waesberghe aan ons vermeld. Alleen ook hier weer de opmerking: “Effectonderzoek is lastig”. 6) Als laatste iemand die nog dagelijks in de (gym)praktijk staat, Joop van Duivenvoorden. Hij liet de meerwaarde zien van de inzet van een tablet bij pre-teaching van gymoefeningen. Heel eenvoudig, maar oh zo functioneel.

Na de pauze de beurt aan Jan van Tartwijk, met een mooi betoog over de relatie tussen expertise en innovatie. Het blijkt dat in de medische wereld de prestaties afnemen met het toenemend aantal jaren van beroepsuitoefening. Dit komt omdat de routines de overhand nemen en er weinig ruimte is voor vernieuwing. Hij noemt dit de valkuil van automatiseren. (Zou dit ook niet voor het onderwijs gelden). Er blijkt een optimale innovatie zone te zijn, de kunst is die te bereiken.

Vervolgens nog 4 korte pitches. 1) Desire Joosten-ten Brinke over het adaptief toetsen.Een zeer actueel onderwerp.Zij kwam tot een aantal voordelen waarvan de voornaamste naar mijn mening zijn: nauwkeurige meting bij alle leerlingen (op maat) en uitdaging voor alle leerlingen. Graag nog meer onderzoek zodat het machtsbolwerk van o.a. de CITO nog verder kan worden ondergraven. Nog een belangrijke citaat van Desiree: “leuk is geen uitgangspunt bij het leren”. 2) Onderzoek door Inge Molenaar  naar de opbrengsten door de inzet van Snappet liet zien dat een dergelijk middel heel goed in staat is om adaptief te voorzien in een lesaanbod. Waarbij de diverse niveaugroepen in een klas er meer of minder baat bij hebben. De dashboardfunctie van dergelijke programma’s geven de leerkracht ook de tools om te differentiëren. Ook hier is verder onderzoek gewenst en dan zou het mooi zijn als Snappet, Muiswerk en Oefenweb de handen ineen gaan slaan. 3)Het onderzoek van Henk Sligte over E-didactiek maakte weer duidelijk dat er nog veel winst te halen is. ICT wordt wel meer ingezet, maar zelden voor onderzoekend en ontwerpend leren en niet gericht op samenwerken en zelfstandig leren buiten het klaslokaal. 4) Gemma Corbalan gaf aan dat programmeren er voor kan zorgen dat de positie van ICT een andere waarde kan krijgen. Maar, programmeren kan ook unplugged. Het zal de komende jaren wel een steeds belangrijkere plaats in het curriculum (moeten) krijgen.

Hierna kregen we het slotverhaal van Sitskoorn. Misschien niet nieuw, maar wel bijzonder inspirerend. Heel helder gaf zij aan wat nodig is om succesvol te zijn in de toekomst. En waar de dreiging ligt. Veel mensen kunnen de veranderende wereld niet meer volgen, omdat je daar nieuwe vaardigheden voor nodig hebt. Zij introduceert de term VUCA= Volatile, Uncertain, Complex en Ambiguous, voor dit gevoel. Het behoeft weinig fantasie om je daar iets bij voor te stellen. En dat de 21st century skills hier een antwoord op kunnen zijn. Sitskoorn deed er nog een schepje bovenop. Je moet de prefrontale cortex verder ontwikkelen. En het positieve is deze ontwikkeling vooral in de schoolgaande leeftijd plaatsvind. Maar dan moeten we daar wel gerichte interventies op plegen. Veel van deze interventies heeft zij beschreven in haar boek Ik2. Overigens zijn deze niet alleen te gebruiken bij onze leerlingen, ook voor ons zelf zijn deze noodzakelijk om goed te blijven functioneren. Zij geeft de acroniem EFFECT aan dit programma en op mij had het in ieder geval het effect om haar boek te kopen. Zoals ik al zei in het begin heeft zij nauwelijks het woord ICT in de mond gehad, maar haar betoog geeft volop stof mee om te om te overdenken.

Het was al met al een zeer boeiende dag, ik weet alleen niet waarom al die onderzoekers zulke moeilijke namen moeten hebben.

Volgende keer weer over de ontwikkelingen op mijn eigen school.

 

 

 

Op zoek naar de verbinding tussen leren, onderwijzen en voorleven.

Het is eerste Paasavond, niets op de tv, voor mij een mooie aanleiding voor een terug- en vooruitblik op de ontwikkelingen op De Ommezwaai. Een liveconcert van Betty LaVette klinkt door mijn hoofdtelefoonspeakers,  een perfecte begeleiding voor mijn gedachten.   In mijn laatste blog van ongeveer twee maanden  geleden schreef ik over Muiswerk, innoveren en mijn afgeronde opleiding I-coordinator. En ik mag stellen dat er sindsdien al weer het nodige is gebeurd.

Allereerst is ons lid van het College van Bestuur positief over de keuze van De Ommezwaai om door het experimenteren met  Muiswerk te kijken naar gepersonaliseerd onderwijs. Binnenkort komt hij zelf eens ervaren hoe dit werkt en wat dit kan betekenen voor ons onderwijs. Daar ben ik blij mee. Ook willen de mensen achter Muiswerk met ons om de tafel om te kijken hoe we dit programma kunnen afstemmen op de onderwijsbehoeften van leerlingen in het speciaal onderwijs. Dat lijkt mij ook erg veelbelovend.

Toch heeft er een andere ontwikkeling plaatsgevonden bij ons op school die mij nog hoopvoller stemt over een verandering van ons onderwijsconcept. We hebben als school meegedaan met een onderzoek naar het leef- en werkklimaat in de klas. Onder leiding van Peer van de Helm, lector Residentiële Jeugdzorg, is er een onderzoek gedaan naar de veiligheid, leerklimaat en naar het disruptief gedrag bij ons. Dit laatste is een verzamelnaam voor alle anti-sociale gedrag (schreeuwen, slaan, schoppen) wat een aantal van onze leerlingen laat zien. Uit het onderzoek, gedaan door de leerlingen en teamleden vragenlijsten in te laten vullen, komt naar voren dat we hoog scoren op aanwezigheid van disruptief gedrag. Iets wat we elke dag ervaren. Maar er is wel sprake van een een goed leerklimaat, wat op zich misschien met elkaar in tegenspraak moet zijn. Dat is het niet omdat onze leerkrachten zoveel veiligheid bieden, zo aanwezig zijn voor de leerlingen, dat zij niet een grote hinder voor het leren ervaren. Uiteraard verschilt dit per klas, in de ene lesgroep zitten meer leerlingen met anti-sociaal gedrag, of is het gedrag heftiger dan in de andere klas. En de eerlijkheid gebied om ook te zeggen, dat de ene leerkracht daar beter mee om kan gaan dan een collega.

Het onderzoek stemt ons dus over de hele linie tevreden en biedt voldoende aanknopingspunten om het leef- en leerklimaat nog te verbeteren. Zeker als we de volgende gedachtengang van Peer van de Helm in ogenschouw nemen: “Het onderwijs aan deze kinderen die regelmatig verkeren in ‘sociale-nadeelsituaties’ en daar ook naar hebben leren handelen, is te veel gericht op het cognitieve leren. Er is een enorme disbalans ontstaan, want het aandacht schenken aan de sociaal-emotionele ontwikkeling is minstens zo belangrijk. Sociaal-emotionele ontwikkeling niet alleen gericht op het kind zelf maar ook op het kind in relatie tot de maatschappij.” Dat van de Helm hierbij heel dicht bij het gedachtegoed  van Gert Biesta m.b.t. de drieslag: kwalificatie, socialisatie en subjectivering, mag voor de oplettende lezer duidelijk zijn.

Voor onze school zullen dat nieuwe ankers voor een veranderd onderwijsconcept worden. Alleen krijgt het misschien andere titels, misschien dichter bij de aardig, vaardig en waardig van Onderwijs 2032. Maar we hebben het wel over hetzelfde. Ons onderwijs moet gericht zijn om de leerling voldoende bagage mee te geven zodat hij/zij een volwaardige plek in de maatschappij kan innemen.Die volwaardige plek wordt gekenmerkt door de begrippen betekenisvol, waardigheid en gelukkig zijn. De weg daar naar toe vereist dat de leerling in zijn kracht gezet wordt, mag ervaren, zelf mag ontdekken en autonoom is.

Die kracht zullen we niet ontdekken als we datzelfde blijven doen wat we al die jaren al doen. Het doel van ons onderwijs en zeker van ons onderwijs aan onze leerlingen die vaak verkeren in sociale-nadeelsituaties, zal gericht moeten zijn op meer dan de leren rekenen en schrijven. Het zal zeker gericht moeten zijn op de persoonlijke groei van de leerling en hierbij zullen we de talenten van de kinderen moeten zien te ontdekken. Dat we daarbij soms andere keuzes moeten maken en vakken die meer gericht zijn op het cognitieve leren, in de wachtstand moeten zetten, is hier inherent aan.

Dat brengt mij tot de verbinding tussen leren, onderwijzen en voorleven. (En inmiddels is Betty vervangen door Richmond Fontaine, die met een laatste juweeltje “You Can’t Go Back If There’s Nothing to Go Back To” het ‘Altcountry-land’ gaan verlaten.)

Er wordt de laatste maanden (misschien al wel jaren) een flinke (soms felle) discussie gevoerd over  het verschil tussen leren en onderwijzen. In zijn artikel ‘Giving teaching back to éducation’ (uit 2012), legt Biesta uit hij uit hoe de leraar en het onderwijzen uit het onderwijs zijn verdwenen. “Dat zien we aan woorden als: ‘het nieuwe leren’, ‘krachtige leeromgeving’, ‘samenwerkend leren’ en ‘leergemeenschappen’. Als het alleen om leren gaat, zouden we geen scholen nodig hebben. Zeker nu kunnen kinderen immers overal en op elk moment leren. Het gaat er echter in het onderwijs niet om dat kinderen leren, maar dat ze iets leren, dat ze met een bepaald oogmerk leren en dat ze van iemand leren.” Aanhangers van het gepersonaliseerd leren, richten de focus meer op de verbinding tussen leraar en lerende, waarbij zij beiden een leerproces ingaan. Hierbij kan de sturende/ onderwijzende rol van leerkracht afnemen naar een meer coachende.

Is dit verschil zo groot? In theorie misschien, maar zeker in mijn praktijk niet. In het werken met  leerlingen met een ernstige handicap, namelijk gedrag wat het leren in de weg zit, niet. Althans dat zou niet mijn focus zijn. Een nog belangrijkere activiteit dan het leren/onderwijzen zou naar mijn mening het voorleven moeten zijn. De leerkracht moet een rolmodel zijn voor de leerlingen. Zij moeten zich kunnen spiegelen aan dat wat jij ze meegeeft en laat zien. Uit onderzoek van v.d. Helm blijkt dit ook:                                     “Probeer te begrijpen wat een enorme impact een continue stroom van sociale-nadeelsituaties heeft op het zelfbeeld en de hersenen van jongeren: ze komen in een overlevingsstand, met als gevolg onderdanig of agressief en antisociaal gedrag. Straffen helpt niet, respectvol contact maken en nabijheid wel. Zet dit begrip om in je eigen handelen: bied structuur, een lage emotionele expressiviteit, respect voor de ander, eindeloos geduld en het bijstellen van verwachtingen.”

We gaan de komende tijd op De Ommezwaai met deze uitgangspunten aan de slag en zullen de verbinding zoeken tussen het leren-onderwijzen-voorleven en de drieslag kwalificatie, socialisatie en subjectivering bij het ontwikkelen van een nieuw onderwijsconcept.

N.B. Bijzonder aan deze Blog is dat hele woord ICT nauwelijks gevallen is, behalve nu dan. Toch zal dit wel een rol gaan spelen. Maar daarover later meer.

 

 

 

Een jaar innoveren samen met Marant.

#Hoe koppel ik ICT-innovatie, mijn visie en Muiswerk aan mijn school en haal ook nog mijn diploma I-Coördinator? Zo dus! Veel leesplezier#  (Met deze woorden open ik mijn afstudeer/onderzoeks/reis-verslag en tevens innovatieplan voor mijn school).

Afgelopen woensdag was de laatste bijeenkomst van de opleiding I-Coordinator bij Marant en het leek mij nu een goed momIMG_0689ent om eens terug te kijken op een zeer bewogen jaar.      12 maanden waarin veel is gebeurd bij mij en op mijn school. Eigenlijk was de ontwikke-ling al wel eerder in gang gezet, want een jaar geleden waren we op De Ommezwaai net begonnen met het iPadproject voor onze kleuters. Een project wat ik heb georgani-seerd en begeleid. (zie voor een uitgebreid verhaal hierover het boek #SMIHSO).

Het was mijn eerste echte doelbewuste stap op weg naar een onderzoekje naar de mogelijkheden van ICT voor het onderwijs. Ik had wel een idee wat je met ICT kon bereiken, maar dit was nog niet gekoppeld aan een echte visie op een groter doel. Iets wat gedurende mijn leerproces helderder is geworden.

De bijeenkomsten met mijn medecursisten en begeleiders Saskia, Frank en Bob hebben deze focus zeker aangebracht. Niet alleen werden daar  nieuwe leervormen geïntrodu-ceerd: zoals design thinking en peerScolar, met name werd daar je kritisch denkvermogen gescherpt. Dit heeft mij geholpen met het helder krijgen met wat ik zie als een kans op mijn school om het onderwijs te personaliseren. Want daar had ik inmiddels wel helderheid over, de enige manier om het onderwijs dichter bij de leerling te brengen is om de leerling (mede) aan het stuur te krijgen van zijn leerproces.

Omdat wij op school wel een bijzondere doelgroep hebben, leerlingen met ernstige gedragsproblemen en/of psychiatrische stoornissen en hierdoor specifieke onderwijs-behoeften, is het belangrijk dit personaliseren goed af te stemmen op de mogelijkheden van onze leerlingen. Omdat zij veel moeite hebben met metacognitieve vaardigheden, noodzakelijk voor zelfsturing, zal de leerkracht bij ons dit ‘stuur’, zeker in het begin, nog in de hand moeten hebben. Op sommige onderdelen zal zij/hij het ‘sturen’ op kunnen schuiven naar begeleiden of zelfs coachen.
Dit uitgangspunt heb ik meegenomen in mijn innovatie-onderzoek. Wat ook belangrijk is bij een innovatie met ICT is dat je kijkt naar alle elementen die meespelen: het zogenaamde Vier in-Balans-Model van Kennisnet. Dit heb ik gekoppeld aan een SWOT om zo mijn school in beeld te krijgen. Hieruit kwam voort dat met name de ICT-geletterdheid van het team beperkt is en ook de visie bij hen niet veel verder komt dan het ‘klaslokaal’. Wat overigens begrijpelijk is, want het lesgeven aan deze leerlingen is al topsport op zich. Maar, ondanks diverse interventies van mijn kant om een gesprek te voeren over ‘Het Doel van het Onderwijs’, heeft dit te weinig teamleden aan het denken gezet. Jammer, maar wel een uitgangsgegeven waar ik verder mee moest.

Het was voor mij duidelijk: wil ik met mijn school de richting van gepersonaliseerd  onderwijs op gaan dan moet dit in kleine stappen. Waarbij niet te veel gevraagd  wordt van de digitale vaardigheden van de leerkracht en het daarnIMG_0541aast direct van invloed moet zijn op de ontwikkeling van leerlingen. Want wilde ik  leerkrachten eigenaar laten zijn van deze innovatie dan moeten ze dit terug zien in de klas. (Zie ook een eerdere blog van mij over eigenaarschap).

Zo ben ik terechtgekomen bij Muiswerk. Dit digitaal lesprogramma biedt naar mijn mening alle mogelijkheden om het onderwijs bij ons op school te personaliseren, waarbij de rol van leerling en leerkracht steeds kan verschillen. Ik ben me volkomen bewust van het feit dat het inzetten van Muiswerk maar een klein stapje is, ook de titel van mijn afstudeerwerkstuk, maar soms moeten er eerst kleine stapjes gezet worden. Voor een ‘disruptive innovation’ (naar de titel van een boek waar ik zeer door geïnspireerd ben geraakt), is het op mijn school ‘een brug te ver’.

voorkant

We zitten nu aan het begin van dit innovatie-proces, een aantal leerkrachten voelen zich eigenaar, leerlingen zijn gemotiveerd, ouders geïnteresseerd. We gaan dit traject nauwkeurig volgen en verder implementeren, waarbij er misschien soms een stapje teruggezet moet worden. Als we daarna maar wel weer twee vooruit gaan. Ik doe mijn best om dit te bewerk-stelligen en hou jullie op de hoogte, onder andere via deze blog of op twitter.

 

 

P.S. Wil je het bovengenoemd verslag ontvangen, stuur mij een bericht via twitter @atpvanbergen of een mail atpvanbergen@ziggo.nl, dan stuur ik je het in pdf toe.

Wat is het doel van onderwijs?

Met deze vraag heeft Claire Boonstra, van o.a. #Operation.Education,  alle betrokkenen bij het onderwijs, van leerkrachten tot ouders en schoolleiders tot beleidsmakers, in de denkstand willen zetten. “Want”, zo stelt zij, “wat willen wij de kinderen meegeven, als zij straks misschien wel 100 jaar kunnen worden in een snel veranderende maatschappij, waar we nu nog niet van weten hoe deze er uit komt te zien?” Een goede vraag lijkt mij.  Goed om daar eens diep over na te denken en niet op de automatische piloot hetzelfde te doen met de leerlingen wat we al jaren doen. “Want geven wij onze leerlingen dan wel voldoende bagage mee om de toekomst mede vorm te kunnen geven?”, is een vraag die ik daar aan wil koppelen. Een vraag die de afgelopen week ook op onze school (tussen de regels door) weer aan de orde kwam. Een goed moment leek mij om er eens voor te gaan zitten.

Op onze school, een school met leerlingen met complexe gedrags en/of psychiatrische problemen, zijn we de laatste jaren zoekende naar onderwijs wat past bij onze leerlingen. Onze invalshoek hierbij is de onderwijsbehoefte van de leerling. Het oude onderwijsconcept van de hele dag luisteren naar een leerkracht hebben we al losgelaten. Het is ons duidelijk geworden dat onze leerlingen in het nu een afwisseling nodig hebben van inspanning en ontspanning. Hierbij richten we ons ook op de talenten van onze leerlingen. Een reden voor ons om een breed onderwijs-aanbod te bieden van koken tot breien en werken in de tuin tot yoga. Ik noemde hierboven het nu, want dit bieden we al. Maar doen wij het daarmee anders dan vroeger en geven we hiermee een antwoord op de vraag: “Wat is het doel van onderwijs?” Op zich niet, maar als we dit bewust inzetten om de leerlingen voor te bereiden op de toekomst komt dit wel in de richting. Laten we eens kijken of dit onderwijsaanbod doelgericht wordt aangeboden d.m.v. onze visie.

De Ommezwaai, heeft het meer over uitgangspunten dan over een visie/missie. In de schoolgids staat het als volgt vermeld: “We scholen en trainen onze leerlingen doelgericht, zodat ze hun leerprestaties optimaliseren, hun sociale vaardigheden verbeteren en ze leren omgaan met hun talenten en beperkingen. Dit doen we vanuit een positieve houding naar leerlingen en specifieke kennis van onderwijs en gedrag.” Het doel wordt hierbij omschreven als: “gericht zijn op het behalen van een diploma”, dus uitstroom naar het diploma-gericht vervolgonderwijs. Dit uiteraard met als uitgangspunt de leerlingen een kans te bieden in de maatschappij.

De Onderwijsspecialisten, onze overkoepelende organisatie, heeft verge-lijkbare uitgangspunten, maar deze zijn wat ruimer en breder geformuleerd: “Met partners richten onze scholen zich op de ontwikkeling van leerlingen voor een stevige plek in de maatschappij. Een plek waarin ze zo zelfstandig mogelijk kunnen functioneren op het gebied van wonen, werken, vrije tijd en burgerschap. Brede ontwikkeling speelt zich daarom niet alleen af in het leslokaal, maar ook bijvoorbeeld op het sportveld, in het kunstatelier, in de wijk en op social media.”

Volgens mij geven deze uitgangspunten voldoende ruimte voor het vormgeven van onderwijs wat toekomstgericht is. Maar wie bepaald dit nu, dat toekomstgerichte? Wij, alle betrokkenen bij het onderwijs, met een hele duidelijke rol voor de leerkracht. Want de leerkracht is de vormgever, zij/hij denkt na (of zou dat moeten doen) over de vraag: “wat heeft mijn leerling nodig om later  ‘die stevige plek’ in de maatschappij te krijgen?”

Dat een antwoord op deze vraag soms een (creatieve) spanning creëert tussen een aanbod wat je zou willen bieden, omdat de leerling soms iets anders nodig heeft dan een methode of aanpak kan bieden, en wat de Cito, Inspectie, etc. vraagt, is niet erg. Die ruimte moeten we pakken. En mogen we ook pakken. Als we maar een goed verhaal hebben en het met een doel gedaan wordt.

Welk doel dan, hoor ik jullie denken? Want ik kan me voorstellen dat de opmerking  ‘een stevige plek’ te weinig houvast biedt.

Wat mij betreft gaan we dan terug naar Claire Boonstra, want zij geeft ook zelf een antwoord op haar eigen vraag. Een antwoord waar ik mij in kan vinden (en ik denk, wie niet!)

doel-1doel-2

doel-4doel-3

Is bovenstaande een mooi denkraam voor een antwoord op de vraag? Laten we hierover met elkaar in gesprek gaan.

En welke plaats neemt kennis in? Kennis van en -over blijft natuurlijk belangrijk. Zeker ook om antwoorden op bovenstaande vragen te kunnen geven. Maar of we het dan over dezelfde kennisgebieden als die van nu hebben?

Voor uitgebreidere informatie over de doelen:   operation.education/mijn-antwoorden-op-de-vraag-waartoe

En hieronder een onlinegesprek van Claire met #LerarenmetLef.

Op naar het gesprek!